Voor docenten

SWV Passend Onderwijs 31.04 Westelijke Mijnstreek

Basisondersteuning in het schoolondersteuningsprofiel

In het schoolondersteuningsprofiel geven scholen aan welke basisondersteuning zij bieden. Zij beschrijven de competenties die docenten bezitten in het omgaan met verschillen. Scholen kunnen leerlingen op grond van de beschreven basis-ondersteuning aannemen, zonder daarvoor een beroep te hoeven doen op het ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband of direct gebruik te maken van de breedte- of diepte-ondersteuning zoals die binnen het SWV wordt aangeboden.

Natuurlijk zal het in de school niet alleen aankomen op de competenties van de docenten, maar ook op de kwaliteit van de ondersteuningsstructuur van interne leerlingenzorg:

  • een (sociaal) veilig schoolklimaat,
  • een toegankelijk schoolgebouw en aanpassingen in de ruimtelijke omgeving,
  • een ondersteuningsstructuur die het functioneren van leraren in onder-steuningsniveau 1 (in de klas) en ondersteuningsniveau 2 (extra zorg in de groep) mogelijk maakt.

We realiseren ons dat niet alle competenties op goed/excellent niveau in elke docent aanwezig zullen zijn. De verschillende competenties dienen wel in het team van professionals als geheel aanwezig te zijn, in een cultuur die zich kenmerkt door leren van en met elkaar.

Als het gaat om de bekwaamheidseisen (Wet BIO 23 augustus 2005) die in algemene zin aan de docenten in het voortgezet onderwijs worden gesteld, onderscheiden we een zevental competenties:

  • interpersoonlijk competent,
  • pedagogisch competent,
  • vakinhoudelijk en didactisch competent,
  • organisatorisch competent,
  • competent in het samenwerken met collega’s,
  • competent in het samenwerken met de omgeving (waartoe allereerst de ouders behoren),
  • competent in reflectie en ontwikkeling.

Deze zeven competenties worden hier niet verder toegelicht, maar dienen wel als referentiekader van handelen. In algemene zin is het van belang dat in het pedagogisch-didactische domein ook aandacht is voor de vaardigheid om juist de sterke kanten/protectieve factoren van een leerling te herkennen en deze ook bewust aan te pakken om deze te versterken of om deze in te zetten voor de belemmerende factoren.

In de visie van het SWV Passend Onderwijs VO 31.04 Westelijke Mijnstreek staat:

Uitgangspunt is de leerling, niet gelabeld en/of geïndiceerd1, op maat voorzien van het juiste onderwijs-/ondersteuningsaanbod, waarbij talentontwikkeling aan de basis staat en interventies eerder preventief dan curatief van aard zijn.

1Vooralsnog blijven de indicatiecriteria voor LWOO-PrO wettelijk gehandhaafd.

Deze gedachte is richtinggevend in de uitwerking van een handelings- en opbrengstgerichte inrichting van het onderwijsproces. Daarin staan het omgaan met verschillen in de klas en in de school centraal. Idealiter zal dit doorwerken in toleranter gedrag in onze maatschappij.

Daarnaast realiseren we ons dat het vrijwel onmogelijk is dat al deze competenties in voldoende mate in één persoon verenigd zijn. Echter, de wetenschap dat deze competenties in samenhang complementair verenigd zijn in groepen van mensen, stelt ons gerust dat we samen wel kunnen realiseren, wat individueel onmogelijk lijkt.

Vaardigheden waarover een docent dient te beschikken

Docent zijn in het onderwijs van nu is een complex en veeleisend vak. Je moet daar als persoon geschikt voor zijn en een natuurlijke aanleg hebben in het omgaan met jongeren. Bovenop die basis zijn het kunnen scheppen van betekenisvolle relaties in een stimulerend pedagogisch-didactisch klimaat en goed klassenmanagement belangrijke kwaliteiten die een leraar moet bezitten. Waar het in de context van passend onderwijs gaat om relevante vaardigheden van docenten, kunnen we twee soorten vaardigheden onderscheiden: preventief werkende pedagogisch-didactische basisvaardigheden en licht curatieve interventies.

A. Pedagogisch-didactische basisvaardigheden
  • Vaardig zijn in het vroegtijdig signaleren van mogelijke belemmeringen in de opvoeding en de (leer)ontwikkeling. Dit op basis van kennis van normale ontwikkeling passend bij de leeftijdsfase, en het kunnen toepassen van deze kennis in observatie indien sprake lijkt van afwijkende ontwikkeling.
  • In staat zijn een pedagogisch klimaat te realiseren waarin verschillen tussen leerlingen herkend en erkend worden en waarop het onderwijsleerproces is afgestemd. Hier speelt de vraag in hoeverre de docent in staat is voldoende aandacht te geven of in staat is meer handen in de klas te organiseren (bijvoorbeeld via inzet van stagiaires, onderwijsassistentie e.d.). Samenwerking met externe organisaties en beschikbaarheid van aangepast lesmateriaal kan hierbij ondersteunend zijn.
  • Beschikken over didactische expertise en dus vaardig zijn in het toepassen van diverse instructiemodellen, planmatig werken, maar ook aanpassen van instructie en verwerking aan verschillen in leerstijl en leertempo. Daarnaast kennis hebben van verschillende typen leerstijlen en leervoorwaardelijke functies.
  • Het groepsproces begrijpen en bewaken op basis van kennis van groepsdynamica en werken aan positieve groepsvorming.
B. Licht curatieve interventies

Als onderdeel van de basisondersteuning is de docent in staat licht curatieve interventies te plegen bij een aantal problemen die zich bij leerlingen kunnen voordoen.

1. Informatieverwerving

Sommige leerlingen hebben ondersteuning nodig bij het volgen en opnemen van informatie al dan niet door visuele en auditieve beperkingen.

Gevraagde handelingsbekwaamheid:

  • beschrijvend, beeldend uitleggen en concretiseren;
  • aanpassen van spreektempo en articulatie;
  • aanspreken van meerdere zintuigen;
  • extra instructiemomenten.
2. Informatieverwerking en uitvoering

Sommige leerlingen hebben ondersteuning nodig bij het organiseren van taken en activiteiten: uitstellen, ontwijken, niet weten hoe een taak aan te pakken. Ze hebben moeite met het afmaken van werk en het overstappen van de ene naar de andere opdracht. Er kan sprake zijn van leerproblemen als dyslexie, dyscalculie, maar ook meer of minder verstandelijke mogelijkheden: snelle of juist trage verwerking van informatie, makkelijk of met moeite aanleren van routines.

Gevraagde handelingsbekwaamheid:

  • emotionele ondersteuning bieden om het zelfvertrouwen te vergroten;
  • hulp bieden bij planning en aanpak;
  • aanpassen aan de leerstijl van leerlingen;
  • sturende instructie via het bieden van tussenstapjes;
  • werken met meerdere oplossingsstrategieën;
  • laten verbaliseren van denkprocessen;
  • specifieke programma’s en voorzieningen voor leerlingen met dyslexie of dyscalculie;
  • extra uitdaging in onderwijsaanbod kunnen bieden.
3. Leer- en werkhouding

Sommige leerlingen hebben ondersteuning nodig bij hun leer- en werkhouding. Er kan sprake zijn van: concentratie- en aandachts-problematiek, faalangst en motivatieproblematiek.

Gevraagde handelingsbekwaamheid:

  • positieve benadering met nadruk op succeservaringen;
  • structureren van de omgeving;
  • aandacht blijven richten op de les;
  • snelle gerichte interventies;
  • duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid bieden;
  • eenduidig taalgebruik; korte boodschappen;
  • enkelvoudige instructie met feedback op het opvolgen ervan;
  • regels en afspraken regelmatig herhalen.
4. Sociaal-emotioneel functioneren en gedrag

Sommige leerlingen hebben een zwak zelfbeeld: zwak of negatief zelfbeeld, zijn faalangstig – bang om fouten te maken. Sommige leerlingen vertonen internaliserend afwijkend gedrag: onhandig en angstig gedrag, zijn teruggetrokken/eenzaam/ gesloten, durven geen vragen te stellen, hebben angst voor veranderingen, hebben een sombere stemming, ‘afwezige’ blik, vermijdingsgedrag. Sommige leerlingen vertonen juist externaliserend afwijkend gedrag: druk, grensoverschrijdend, zelfbepalend. Sommige leerlingen hebben moeite met luisteren, zijn prikkelbaar, zijn koppig, tonen weerstand en acceptatie van gezag blijft uit.

Gevraagde handelingsbekwaamheid:

  • sturing en inzicht kunnen geven aan sociaal gedrag en gewenst gedrag kunnen benoemen;
  • investeren in betekenisvolle vertrouwensrelaties met leerlingen: individuele benadering, relatie opbouwen, integer zijn;
  • creëren van een heldere structuur (wat kan wel/wat kan niet) en daar als leraar ook consequent naar handelen;
  • geven en vragen om feedback; bekrachtiging van wat goed gaat/ succeservaringen;
  • leerlingen laten weten en laten ervaren dat niet hij of zij als persoon, maar zijn/haar gedrag wordt afgekeurd.

Informatiegids voor docenten Passend Onderwijs

De brochure is bedoeld voor alle leraren in het regulier en speciaal onderwijs. De informatie uit deze brochure kan u helpen uw rol te pakken en mee te bepalen hoe passend onderwijs er straks op uw school en in uw klas uitziet. Daarnaast geeft de brochure ook antwoord op vragen en zorgen die bij leraren leven. Gaat de werkdruk nog verder omhoog, krijg ik straks in mijn klas veel meer leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, wordt het speciaal onderwijs opgeheven en hoe zit het precies met die bezuiniging?

Download de informatiegids voor docenten